Van ontwerp naar gegoten model

Inleiding

Champlevé en cloisonné werk is aantrekkelijk maar technisch niet gemakkelijk. Bij kleinere objecten kan echter, gebruik makend van moderne materialen een model worden gevormd dat als mal dient om via de Delftse Gietmethode® een te emailleren object te gieten. Als je je rekenschap geeft van de factoren die van invloed zijn op het succesvol gieten is het goed mogelijk om objecten te gieten met een plaatdikte van minder dan 1 mm en daarop cloisons, of iets dikkere plaatjes met holten met steile wanden voor de champlevé-techniek.

Principe
Het maken van werkstukjes waarop het emaille wordt aangebracht bestaat uit:

  1. Aanmaken van een ontwerp als zwart-wit lijntekening.
  2. Overbrengen van de tekening op een geschikt transparant materiaal (het negatief).
  3. Overbrengen van het negatief op een lichtgevoelig materiaal dat als gietmal kan dienen; hierbij wordt het negatieve beeld omgekeerd en gespiegeld.
  4. Verwijderen van onbelicht materiaal.
  5. Drogen en harden van het gietmodel.
  6. Gietmal via een of ander procedé omzetten in een gegoten product.
  1. Ontwerp als zwart-wit lijntekening
    Elke zwart-wit lijntekening kan het uitgangspunt vormen. Tekeningen ontworpen via de computer maken het mogelijk om een negatief te maken (nodig voor het procédé) en in een handomdraai te spiegelen, zodat het uiteindelijk gevormde werkstukje niet spiegel-verkeerd is. Tevens krijg je moeiteloos een uniforme lijndikte, en kun je uitzoeken welke lijndikte nog tot goede resultaten leidt in het gegoten product. Ook het overbrengen van de tekening via een printer is dan gemakkelijk.
  2. Van tekening naar transparant
    De tekening moet op een transparant materiaal worden aangebracht. Dit materiaal moet dun en niet te stijf zijn, zodat het vlak contact kan maken met het lichtgevoelige materiaal. Het moet verder de inkt goed aannemen, en het zwart in de tekening moet ook echt roetzwart zijn; zwarte vlakken en lijnen moeten egaal zwart zijn. Bij gebruik van laser printers kan kalkeerpapier goed voldoen. Bij een ink jet printer vloeit de inkt te veel op papier uit en moet met geschikte overhead film worden gewerkt, waarbij met een zo fijn mogelijke resolutie wordt afgedrukt (figuur 1).
  3. Van negatief naar lichtgevoelig materiaal
    In de grafische industrie wordt op grote schaal gebruik gemaakt van fotopolymeren, stoffen waarin onder invloed van licht kettingen van moleculen ontstaan. Hierbij veranderen de materiaaleigenschappen, en worden ze bijv. hard. Fotopolymeer wordt als grote platen, meestal met metalen rug, verkocht. Bedrijven die aan juweliers leveren verkopen kleine plaatjes in geringe hoeveelheden, zodat zij duur zijn. Voor naar verhouding weinig geld kan Miraclon® worden verkregen; dit heeft een wat dunne metalen rug (0,18 mm), hetgeen kan worden ondervangen door het met dubbelklevende tape en dun acetaat aan te dikken. Het plaatmateriaal kan geknipt worden, hetgeen gemakkelijker is dan zagen.Figuur 1 – Alle zwarte delen van de figuur komen verdiept in het polymeermodel te liggen, dat daar dus het dunst zal zijn. De witte lijnen vormen de opstaande cloisons. Knip elk figuurtje uit om als model voor de mal te gebruiken. Plaats de giettrechter centraal in het model. Tekening voor gietmal Delftse gietmethode

    Het beeld van het negatief (zie figuur) wordt overgebracht door de rugzijde hiervan in heel goed contact op de fotopolymeerplaat te leggen en dan met ultraviolet (UV) licht te bestralen. Daarvoor is een kastje nodig dat negatief en plaatje op elkaar drukt, en dat een UV-lampje bevat. Zo’n lampje kost weinig, want zij worden bijv. op grote schaal toegepast om UV-gevoelige lijmen te verharden, zoals bij het aanbrengen van kunstnagels. Het kastje is een groter probleem. In de handel is te verkrijgen een belichtingskastje met aandrukplaat (Model Master®). Een handig iemand zet voor weinig geld zelf een belichtingskastje in elkaar.
    De belichtingstijd hangt af van de lichtsterkte van het lampje, van de afstand tussen lamp en fotopolymeerplaatje, en van de lichtgevoeligheid van de polymeer. Proefondervindelijk moet de beste belichtingstijd worden bepaald. Dit is niet moeilijk maar kost wat proefplaatjes.

  4. Verwijderen van onbelicht materiaalHet belichte materiaal wordt onoplosbaar in water. Door het belichte plaatje met een zachte borstel in water van 35 °C uit te wassen wordt dit op onbelichte plaatsen tot aan de metalen rug (bij Miraclon® maximaal 0,6 mm) in circa 4 min. uitgediept en blijft staan wat onder het wit van het negatief lag. Met het uitwassen moet je enige ervaring opdoen. Borstel je te lang, of met een te harde borstel, dan borstel je ook belicht materiaal weg, vooral als krap werd belicht. Daardoor wordt de belichte rand (voor een cloison) soms wat gekarteld. Ook al lijkt de schade gering, in het uiteindelijke gegoten product wordt de rekening gepresenteerd: geen strakke cloisons, die bovendien plaatselijk onvoldoende hoog zijn. Bij te lang uitwassen kan zelfs alle materiaal van de grondplaat losweken.
  5. Drogen en harden van het gietmodelHet belichte fotopolymeerplaatje moet goed worden gedroogd. Gebruik hiervoor bijv. een haarföhn. Houd het plaatje op de hand: zolang je de warmte van de föhn kunt verdragen zal het plaatje ook niet worden oververhit. Na een paar minuten is het plaatje wel droog. Belicht het dan geruime tijd na onder de UV lamp om het te harden. Was voor de oorspronkelijke belichting bijv. 15 seconden nodig, belicht dan bijv. 2 minuten na.
  6. Gietmal omzetten in een gegoten productHoe dikker het gietsel, des te gemakkelijker. Sieraden worden dan echter zwaar en onprettig om te dragen. Vandaar dat een zilverplaat van maximaal 1 mm dik prettig is. Met de Delftse Gietmethode® kun je snel en voor weinig geld met wat vallen en opstaan tot een excellent resultaat komen. Je moet je wel beperken tot betrekkelijk kleine objecten. Het gieten van dunne plaatjes is geen sinecure, maar als je goed op alle details let is dit allemaal oplosbaar. Als je een dun plaatje giet verliest immers het hete zilver veel sneller warmte aan de omgevende gietaarde, stolt dus sneller en vloeit daardoor niet zo ver als bij een dik gietsel. Hoe verder van de giettrechter, des te lastiger wordt een goede afdruk gevormd. Waar het bij een dikker gietsel nog wel eens goed kan gaan word je bij een dun plaatje onmiddellijk gestraft als het te gieten zilver niet voldoende heet is gemaakt.
    Plaats de gietringen met gietaarde zo nauwkeurig mogelijk horizontaal op een steen in een bak met zand. Het zilver vloeit immers eerst naar de laagste delen, de hoogste delen komen het laatst aan de beurt, en dan kan het zilver al te ver zijn afgekoeld en is het gietsel mislukt. De luchtkanalen dienen ook voldoende wijd te zijn, zodat de zeer snel door de grote hitte expanderende lucht goed kan ontwijken en het zilver dus goed kan vloeien.
    Het is gemakkelijk als in voorkomende gevallen een ringetje al is aangegoten. Het afwerken van het gegoten object, en het emailleren, vindt op de gebruikelijke wijze plaats.Voorbeelden
    Twee geëmailleerde cloisonné zilveren halskettingen die zijn gemaakt met het in het artikel beschreven procédé.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Else Quanjer

champlevé cloisonné van ontwerp naar model