De vroegste ons bekende instrukties voor het emailleren van voorwerpen

(vertaald uit het Engels door Ellen Goldman. Het artikel stond in Glass on Metal, Vol. 8, no. 3, juni 1989)

VNE
Theophilus «qui et Rogerus», presbyter et monachus Benedictinus
natus circa annum 1080,
vixit in Stavelot,
in Colonia post 1100,
in Helmarshausen post 1107,
obiit post 1125,
vir doctus et artifex.

In diverse Europese bibliotheken bezit men copieën van een manuscript, dat de vroegst bekende richtlijnen voor emailleren bevat. Het manuscript bestaat uit 3 in het Latijn geschreven boeken, één over schilderen, één over glas en één over metaalwerk. Het oorspronkelijke manuscript is verloren gegaan, de beide oudste copieën (waarschijnlijk derde generatie afschriften) zijn beide geschreven in Duitse handschriften en ze dateren van de 12e eeuw. Plaats waar, noch datum waarop deze manuscripten geschreven zijn, zijn met zekerheid bekend. Hetzelfde geldt voor de identiteit van de schrijver. In deze vroegste manuscripten staat nl. alleen dat ze werden geschreven door Theophilus Presbyter . Het manuscript uit Wenen, het zg. Vienna Manuscript, heeft een toegevoegde bladzijde in een 17e eeuws handschrift waarin Theophilus wordt beschreven als een Benedictijnse monnik. Het woord ‘Benedictine’ is later verwijderd, waarna in een ander 17e eeuws handschrift is ingevoegd ‘qui et Rogerus’. Deze toevoeging zou kunnen betekenen dat Theophilus de metaalwerker Roger van Helmarshausen was. Deze werkte omstreeks het jaar 1100. Van hem bevindt zich een prachtig met juwelen bezet boekomslag, versierd met emailplaten, in de schatkamer van de Kathedraal in Trier, Duitsland.

Hoofdstuk 12 van Boek 2 verschaft informatie over het materiaal dat in die tijd voor het emailleren werd gebruikt:

“Verschillende glassoorten, namelijk wit, zwart, groen, geel, blauw, rood en paars zijn te vinden in oude heidense gebouwen. Deze zijn niet transparant, maar ondoorschijnend zoals marmer. Het zijn net vierkante, kleine steentjes. Hiermee kan men emailleren op goud, zilver en rood koper, en we zullen hier later op terugkomen.”

In hoofdstuk 53 van Boek 3 wordt het maken van voorstellingen in de cloisonnétechniek beschreven:

“In ieder van de plaatsen waarin men email wil aanbrengen moet eerst een ondergrond, gemaakt uit een dun, plat stuk goud, worden aangebracht. Deze moet precies op maat zijn. Als de maat vast staat, verwijdert men deze dunne gouden plaat. Vervolgens meet men m.b.v. een passer en een liniaal heel precies smalle reepjes van een iets dikker goud af en legt die, dubbel gebogen, om de buitenste begrenzing van het uiteindelijke werk. Dit doet men twee keer, er zorg voor dragend dat er een hele smalle opening blijft bestaan tussen de twee buitenranden. Vervolgens knipt men smalle stroken van het dunst mogelijke goud en hiervan buigt en vormt men m.b.v. een pincet de vormen die men uiteindelijk wil maken, bijvoorbeeld cirkels of krullen, kleine bloemen, vogels, dieren of andere figuren. Men legt deze vormpjes voorzichtig op hun plaats en maakt ze daar vast met vochtig meel. Dit doet men boven de vlam. Als een grotere vorm klaar is, soldeert men het goud héél voorzichtig aan elkaar, waarbij men er zorg voor moet dragen dat het dunne, tere goud niet smelt of uit elkaar buigt. Dit doet men twee of drie maal, namelijk totdat alle stukjes goed vast zitten.”

Het volgende hoofdstuk beschrijft het proces van het emailleren:

“Als het hele werk op deze manier is opgebouwd en alle goud is vastgesoldeerd neemt men alle glassoorten die men voor het werk heeft uitgezocht en breekt kleine stukjes daarvan af. Men doet dit op een koperen plaat, ieder stukje apart. Vervolgens brengt men dit in het vuur, en men stapelt houtskool er omheen en erboven. Terwijl men het vuur aanblaast, kijkt men goed of de glasstukjes gelijkmatig smelten.
Als dat zo is, is deze glassoort bruikbaar, maar als er ook maar één stukje is dat niet goed en gelijkmatig smelt, dan kan dit glas niet worden gebruikt. Nu neemt men een hoeveelheid van alle beschikbare stukken van het goedgekeurde glas, en men brengt ze één voor één in het vuur. Als het glas roodgloeiend is, gooit men het in een koperen pot die met water is gevuld. Het glas zal dan direkt in kleine stukjes breken. Deze maakt men met een vijzel en stamper nog fijner, waarna men ze wast en in een schone pot, afgedekt met een linnen doek, bewaart.

Dit doet men voor alle kleuren. Vervolgens neemt men een voorbewerkte gouden plaat en bevestigt deze met was op een vlak stuk hout. M.b.v. een ganzeveer, zoals we die gebruiken om te schrijven maar met een langere en niet-gespleten punt, neemt men daarna het vochtig gemaakte email op. Met een lange dunne koperen naald kan men dan het glaspoeder van de ganzeveer afschrappen en op zijn plaats brengen in welk klein celletje dan ook. Het glaspoeder dat over is doet men terug in het daarvoor bestemde potje, dat men steeds goed afdekt. Zo vult men alle cellen van de gouden plaat. Als dit is gedaan maakt men de plaat los van de waslaag en men legt hem op een ijzeren blad met een kort handvat. Men legt er een tweede ijzeren plaat overheen. Deze tweede plaat moet iets bolvormig zijn en geperforeerd met kleine gaatjes die aan de binnenkant glad zijn afgewerkt en daar groter zijn dan aan de buitenkant, waar de bramen aan de randen dienen om het werk te beschermen tegen de as die op het geheel zal vallen. De afdekplaat moet in het midden voorzien zijn van een ring waarmee men hem later kan verwijderen. Als dit allemaal is gedaan, moet men een goed houtskoolvuur maken. Men maakt daarin een goede, vlakke plaats waarin de metalen platen met het emailwerk ertussen goed kunnen liggen en er met een tang aan het handvat uit kunnen worden gehaald. Men zet dan het geheel voorzichtig op zijn plaats, bouwt het vuur op langs zijkanten en er boven op, neemt dan de blaasbalg en blaast het vuur aan alle kanten regelmatig aan. Aangeraden wordt om een vleugel van een gans of een andere grote vogel klaar te hebben, uitgespreid en bevestigd aan een stok. Ook deze kan gebruikt worden om het vuur regelmatig te doen spreiden. Blaas het vuur aan totdat je tussen de stukken houtskool door kunt zien dat de gaten in de afdekplaat roodgloeiend zijn. Stop dan met aanblazen. Wacht ongeveer een half uur en verwijder dan voorzichtig en gelijkmatig alle houtskool. Wacht weer tot de gaten in de afdekplaat aan de binnenkant geheel zwart zijn geworden. Haal dan de metalen plaat aan het handvat uit het vuur, maar laat de afdekplaat er nog opstaan Zet het in een hoek van de vuurplaats tot het helemaal is afgekoeld. Verwijder dan de afdekplaat, haal het email eruit, en was het. Vul de cloisons dan opnieuw en herhaal de handeling. Ga zo door tot alle cloisons helemaal tot aan de randen zijn gevuld. Doe dit met alle platen waaruit de afbeelding zal bestaan.”

Tenslotte lezen we in hoofdstuk 55 hoe het email gepolijst werd:

“Hierna neemt men een stuk was van een halve duim lengte. Men houdt het email werkstuk hiermee vast. Vervolgens wrijft men het email voorzichtig met water op een glad stuk polijststeen. Dat doet men tot het goud van de cloisons overal zichtbaar is. Daarna schuurt men het heel lang m.b.v. een harde, zeer gladde steen, tot het email helder is. Men maakt deze slijpsteen vochtig met speeksel. Vervolgens wrijft men met speeksel over een oude potscherf tot het speeksel roodachtig en dik wordt. Dit roodachtige mengsel brengt men aan op een glad stuk lood en wrijft daarmee over het email tot alle kleuren helder transparant zijn. Daarna doet men hetzelfde, maar nu smeert men het mengsel op een stuk geitehuid dat men op een vlak stukje hout heeft bevestigd. Hiermee polijst men verder tot het email volkomen glanzend is, zodat als de helft van het werk nat wordt gemaakt en de andere helft niet, niemand enig verschil meer kan zien tussen de natte en de droge helft.”

Commentaar van Woodrow Carpenter:
Het is interessant te zien dat Theophilus zijn email dus selecteerde op eigenschappen i.p.v. op kleur. Voor een moderne methode om de smelt van diverse emailsoorten te meten (viscositeit), zie Glass on Metal, Vol. 2, blz. 16.

Het verhitten van glas en het breken ervan door het als het heet is in water te gooien, is een eeuwenoude methode die ook wordt gebruikt door metallurgen en pottenbakkers om stenen en ertsen klein te maken voor het malen .

Het gebruik van een ganzeveer om email aan te brengen zal wel nieuw zijn voor de meeste Amerikaanse emailleurs, maar in Europa was deze methode wel bekend.
Het ijzeren blad met de geperforeerde deksel kan men zien als een soort moffel, die vuil en verbrandingsgassen van het email weghoudt. De brandtijd was erg lang in vergelijking met de tegenwoordige methoden, maar het is interessant te zien dat het email zeer langzaam werd afgekoeld. Dit zal nodig zijn geweest vanwege de verschillen in uitzettingscoëfficiënt tussen glas en metaal.

instrukties