Wat is emaille? Over het begrip ‘email’ heerst in het algemeen veel verwarring. Verwonderlijk is dit niet in een tijd waarin de vervaardiging van lakken tot een hoge perfectie is opgevoerd en deze veel misverstand verwekkend ‘emailles’ genoemd worden. Echt email bestaat uit een glaslaag die over metaal, hetzij goud of rood koper, zilver of roestvrij staal, kan worden aangebracht. Men heeft echter niet te maken met stukjes gekleurd vensterglas, maar met een glassoort die na verhitting en afkoeling tot poeder wordt gemalen. Dit poeder wordt dan op het te emailleren metaal gelegd en in het vuur tot smelten gebracht. Dat is email!

De oorsprong Hoewel email zeer verwant is aan een glazuurlaag zoals die op potterie wordt aangebracht en de kunst van het glazuren reeds in de grijze oudheid tot een hoge graad van ontwikkeling was gekomen, is de kunst van het emailleren betrekkelijk jong. Omstreeks het begin van de jaartelling vinden we de eerste emailles, hoewel men lange tijd de mening was toegedaan dat de oude Egyptenaren deze kunst reeds beheersten. Emailleerkunst is in de eerste plaats goudsmeedkunst en deze stond in de oudheid op een bijzonder hoog peil. Wat echter aan het metaal ontbrak waren de kleuren. Toen men de soldeerkunst meester was ging men er derhalve toe over smalle stroken goud op de onderlaag te solderen die edelstenen, halfedelstenen of gekleurde kralen omsloten. Kralen mogen zeker tot de vroegste produkten der mensheid worden gerekend. Deze werden in het oude Egypte vervaardigd van geglazuurd aardewerk, verschillende glassoorten en faïence. Dit laatste houdt het midden tussen aardewerk en glas en is door en door gekleurd in de voor Egypte typerende blauwgroene kleur. Zeldzaam fraaie sieraden werden vervaardigd van faïencekralen in combinatie met goud. Zo ook van gepolijste halfedelstenen zoals turquoise, lapis lazuli en dergelijke.

Met edelstenen kon men wel figuratieve voorstellingen op het metaal aanbrengen, maar deze zijn uiterst zeldzaam. Men ging er toe over zeer dicht op elkaar liggende stroken goud op de onderlaag te solderen en de daarbij ontstane tussenruimten op te vullen met poeder van lapis lazuli dat door een bindmiddel werd samengehouden.

Een meer algemeen gebruikte methode in het oude Egypte was die waarbij men glaspoeder gebruikte als opvulling van de tussenruimten. Dit werd eveneens met een bindmiddel vermengd. Na het drogen van het bindmiddel waren vaste stukjes gevormd van de juiste grootte. Deze stukjes werden weer uit de tussenruimten van het sieraad genomen en verhit. Men verhitte zover dat de glasdeeltjes stevig aan elkaar gekit werden, maar niet zover dat het glas samenvloeide. De aldus gevormde stukjes glas werden daarna weer op de plaats gelegd waar ze gevormd waren.

Het betreft hier dus nog zuiver inlegwerk. Het is uiterst merkwaardig dat men de naar ons gevoel voor de hand liggende stap van het tot smelten brengen van de glasmassa op het metaal niet gedaan heeft.
Een bijzonder fraai voorbeeld van de omschreven techniek is een zich in het Louvre te Parijs bevindend borstsieraad met het veelvuldig voorkomende Egyptische motief van twee vlakgelegde vleugels, waarin elk veertje met dit glaspoeder is opgevuld, in de kleuren turquoise en donkerblauw. Het is begrijpelijk dat men dit lange tijd voor echt email heeft aangezien.

Soorten emaille Alvorens ons in de verschillende in de loop der eeuwen ontwikkelde technieken te verdiepen, zullen wij ons eerst dienen af te vragen waaruit email precies bestaat. Zoals wij reeds opmerkten is email een soort glas. Etymologisch is het woord email afkomstig van het Latijnse woord smaltus, dat is smelt, smelten. Het betreft hier dus een te smelten of reeds gesmolten massa. Wat de samenstelling betreft staan deze glassoorten veel dichter bij het Egyptische glas, waaruit men kralen en amuletten vervaardigde, dan bij het moderne vensterglas. De samenstelling van de als email te gebruiken glassoorten is dan ook vrij gecompliceerd.

De moeilijkheid die zich bij de samenstelling van email voordoet is dat men een massa moet vervaardigen die tijdens het verhitten evenveel uitzet als de metalen onderlaag en die bij het afkoelen evenveel krimpt. Komt daartussen een afwijking voor, dan zal de emaillaag van het voorwerp loslaten. Dit kan direct, na enkele dagen, of zelfs na weken nog gebeuren. Alle moeite is dan vergeefs geweest. Wij vinden daarom bij de oudste emailles altijd een omraming die steun geeft en het email opsluit. Aanvankelijk was slechts een beperkt aantal kleuren bereikbaar, want elke kleur eiste een afzonderlijke samenstelling, terwijl elke afwijking in de samenstelling van het email weer hetzelfde probleem van verschil in uitzetting te zien gaf.

De smelttemperatuur van email ligt vrij laag, namelijk tussen 700 en 850 °C. Dit was in de oudheid het geval en is dat eveneens in de huidige tijd. Elke kleur email had weer een eigen smeltpunt, zodat het soms noodzakelijk was het stuk verscheidene malen te verhitten; van de op de hoogste temperatuur smeltende emailles naar een steeds lagere temperatuur. In onze tijd is het kleurenassortiment van de fabrieksmatig vervaardigde emailles zo groot dat het mogelijk is een keuze te maken in kleur en smelttemperatuur, waardoor deze laatste voor de verschillende kleuren steeds minder uiteen loopt.

Men onderscheidt bij het emailleren verschillende technieken:


Email marqueté Omstreeks het begin van onze jaartelling heeft zich een vorm van emailleren ontwikkeld die direct voortsproot uit het in leggen van edelstenen. Deze edelstenen of halfedelstenen werden van een vlakke kant voorzien en voor het inleggen gepolijst. Daar men naar kleuren zocht en men de zeer felle kleuren niet steeds beschikbaar had, is het vanzelfsprekend dat men zijn toevlucht zocht tot gekleurd glas. Men was reeds zeer ervaren in de glasfabricage en glas was gemakkelijk in de vereiste vormen te breken.

Er had zich in die tijd in het Romeinse rijk de millefioritechniek ontwikkeld. Deze maakte het mogelijk om glas in een bepaald patroon te mengen. Men gebruikte daartoe glasstaafjes van verschillende kleuren, die men zodanig naast elkaar zette, bij voorbeeld in een stukje klei, dat een patroon werd gevormd. Daar omheen werd een kokertje gezet van een ronde of een vierkante vorm. De ruimte tussen de glasstaafjes werd vervolgens opgevuld met een anders gekleurde vloeibare glasmassa. Na afkoeling en verwijdering van de metalen koker werd de aldus gevormde staaf opnieuw verhit tot het verwekingspunt van het glas en tot een zeer lange, veel dunnere draad uitgetrokken. Deze draad werd in dunne schijfjes geknipt, die op de platte kant het oorspronkelijke patroon te zien gaven en voor verschillende doeleinden werden gebruikt. Een late afspiegeling van deze techniek vinden we nog terug in de ouderwetse stuiter, waar de draad bij het uittrekken tevens in de rondte werd gedraaid en zo de spiraal vormde die in de kern zichtbaar is. In de Romeinse tijd draaide men de draad ook en deze werd daarna geplet om voor verschillende decoratiewijzen dienst te doen.

De verschillende schijfjes glas, die naar believen in een groot aantal kleurencombinaties en patronen waren samen te stellen, werden nu koud in een vorm gelegd. De tussenruimten werden opgevuld met glaspoeder, een precies passende contravorm werd erop gelegd en het geheel werd opnieuw verhit. Deze verhitting was echter aan bepaalde grenzen gebonden. Slechts de verwekingstemperatuur van het glas mocht worden aangehouden, omdat anders de patronen aan scherpte zouden verliezen. Een snelle verhitting was niet mogelijk; slechts door een langdurig verwekingsproces kon de aaneenhechting zich voltrekken. Deze techniek wordt thans millefioritechniek genoemd.

Het ligt voor de hand dat de volgende stap bij de versiering van metaal het inleggen met van tevoren samengestelde millefioristrips was. Het metaal werd daartoe verdeeld in vlak ken met opstaande kanten. Vervolgens werden de glasplaatjes ingelegd en werden de opstaande kanten platgeslagen, waardoor een verbreding van het metaal plaatsvond en het glas werd opgesloten in de omraming. Nieuw is dan dat men het geheel nogmaals verhitte tot het verwekingspunt van het glas, dat daardoor een hechting met het metaal aangaat. Hier is dus sprake van echt email.

Een der fraaiste voorbeelden van deze techniek rest ons in een bronzen inktpotje van Romeinse afkomst, dat gevonden werd in de nabijheid van Keulen. Het is in het bezit van het Römisch-Germanisches Museum in Keulen en dateert uit de tweede eeuw.
Het merkwaardige van dit soort email is dat men bij de eerste aanblik de neiging heeft het veel later te dateren door de haarscherpe afscheiding tussen de kleuren.

Toen het gebruik van de champlevétechniek de overhand kreeg, waarbij elke kleur door een brede metalen rand werd afgescheiden van de andere kleuren, verdween langzamerhand de techniek van het email marqueté geheel en al.

Aan de Keltische volkeren komt de eer toe het émail champlevé ontwikkeld te hebben. Email champlevé is de naam voor email op onedel metaal, hoofdzakelijk brons, waarin velden werden uitgestoken, van elkaar gescheiden door brede metalen randen, die werden opgevuld met echt email. Daartoe werd het als email te gebruiken glas verpulverd, waarna men de te emailleren gedeelten opvulde met dit poeder. Door verhitting van het gehele stuk werd het email tot smelten gebracht. Er werd een geometrische vlakverdeling toegepast. Met dit soort email hebben de Romeinen bij hun veroveringstochten kennisgemaakt. De volksverhuizingen hebben een grote uitbreiding van deze emailleertechniek teweeggebracht en talloze stukken uit deze tijd zijn bewaard gebleven. In de eerste plaats de vele fibulae, de mantelspelden. Het is nog niet zo lang geleden, zo ongeveer tot aan de eerste wereldoorlog, dat dit email bekend stond onder de verzamelnaam barbarenemail.

In Ierland heeft zich tussen de zesde en de achtste eeuw een merkwaardige mengtechniek ontwikkeld. Daarbij werd glas verhit tot het verwekingspunt, waarna het bedekt werd met een rasterwerk van metaal dat diep in het gloeiende glas werd gedrukt.

Email cloisonné De opkomst van het christendom is van ingrijpende betekenis geweest voor de ontwikkeling van de Europese kunst. Was er in het begin een grote versobering, die in lijn­rechte tegenstelling stond met de weeldeuitingen van het Romeinse rijk, allengs kwam er, na de val van Rome, een kerkelijke kunst tot ontwikkeling, die in Byzantium zijn hoogtepunt vond. Ter verfraaiing van de kerken werden steeds kostbaarder materialen gebruikt en alle tot op dat tijdstip bekende technieken op kunstgebied vonden hun toepassing. Veelvuldig was het gebruik van goud. Goud in mozaïeken, goud als achtergrond van de prachtige ikonen, geheel gouden ikonen ingevuld met email; het email cloisonné.

Email cloisonné is een vorm van emailleren waarbij men op een gouden plaat figuren van geplet gouddraad soldeerde, met de smalle kant naar boven. De afstand van de draden onderling mocht niet te groot zijn en men vulde daarom het gehele vlak. Men kan dit zien als tekenen met gebogen draad. Dit is van oorsprong een oosterse techniek, die in Byzantium zijn hoogste bloei beleefde. Was het gehele vlak met een gouden bedrading overdekt, dan vulde men de tussenruimten op met verschillende kleuren email. Het fijne gouddraad verhinderde het in elkaar overvloeien van de kleuren. Elke kleur was dus opgesloten in een eigen cel. Dit maakte het mogelijk emailles van een niet te veel uiteenlopend smeltpunt gelijktijdig tot smelten te brengen. Liepen de smeltpunten te veel uiteen, dan volgden meerdere emailverhittingen, aflopend van het email met het hoogste smeltpunt tot het email met het laagste smeltpunt.
Was het gehele stuk met email overdekt, dan werd het oppervlak gladgeslepen en daarna hoogglanzend gepolijst.

De Byzantijnse emailles behoren tot het fraaiste van hetgeen op dit gebied gepresteerd is. Byzantium was in die woelige tijden voor vele kunstambachtslieden een toevluchtsoord en er ontwikkelde zich een kunstcentrum van de eerste orde. Op de culturele ontwikkeling van Europa is dit van grote invloed geweest.

Daar de belangstelling voor kerkelijke kunst bijzonder groot was, raakten de Byzantijnse emailles over geheel Europa verspreid en hebben overal als voorbeeld gediend.

De gouden plaat is uitgezeaagd, voorzien van een bodem en gevuld met email in gouddraad. Tiende eeuw. Rijksmuseum Amsterdam.

In 842, na de troonsbestijging van de minderjarige Michael de Derde, werd het verbod op de uitbeelding van religieuze voorstellingen verzacht, Toen de druk van de ikonoclasten week, kwamen kunst en kunstambacht weer tot grote bloei, met als belangrijkste uiting daarvan de geschilderde ikonen en de emailles.
Deze emailles zijn in het algemeen bijzonder weinig door de tijd aangetast. Dat is niet alleen te danken aan het edele metaal, dat niet voor oxydatie vatbaar is, maar bovenal aan het grote vakmanschap van de emailleurs. Deze maakten, afhankelijk van de te gebruiken kleuren, het net van draadwerk fijner of grover zodat kleuren, die een te groot spanningsverschil met het metaal hadden, ook na eeuwen niet van het metaal loslieten. Men gebruikte in Byzantium zowel ondoorschijnende als doorschijnende emailles. Deze laatste geven niet alleen een ondergrondreflectie van het goud te zien, maar tevens een zijdelingse reflectie van de celwanden. Dit maakt dat een wisselende belichting een veranderde indruk van het object geeft, die van een verrassende schoonheid is.

Niet altijd is het gouddraad op een vlakke plaat gesoldeerd. Het komt veelvuldig voor dat men het metaal verdiepte, dus uitdreef langs de contour van de voorstelling. Het uitgedreven gedeelte werd dan opgevuld met gouddraad en geemailleerd, de omtrek van de figuren bleef glanzend goud. Ook werd het motief wel uit een vlakke gouden plaat gezaagd en op een gouden ondergrond gesoldeerd. De uitsparingen werden dan eveneens voorzien van een draadverdeling en geëmailleerd. De achtergrond van de voorstelling bleef daarbij eveneens effen goud. Moest ook de achtergrond worden geëmailleerd, dan werd deze voorzien van kleine verspreide ornamenten. Dit was hoogst noodzakelijk door het verschil van ui uitzettingscoëfficiënt tussen het metaal en het email, zodat extra versterkingen moesten worden aangebracht. Slechts een zeer beperkt aantal kleuren leende zich voor deze achtergronden.
Een bezoek aan de schatkamer van de San Marco in Venetië met het enorme goudikoon, overdekt met email, het Pala d’Oro, geeft een beeld van de indrukwekkende schoonheid der Byzantijnse emailles.

Voor zover bekend is de kunst van het emailleren in China pas in de tweede helft van de veertiende eeuw naar voren gekomen. De aldaar gebruikte techniek is de email cloisonnétechniek, die men echter uitsluitend op brons toepaste en wel hoofdzakelijk op vaatwerk, zodat de problemen van het email en ronde bosse, waaraan een der volgende hoofdstukken is gewijd, ook te voorschijn moeten zijn gekomen. Zowel het Byzantijnse email cloisonné als het email champlevé uit het Rijnland, de Maasvallei en Limoges zijn een kunst van het platte vlak: aan het holle of bolle oppervlak was men nog niet toe.




Email champlevé Uiteraard heeft de grote bewondering die de Byzantijnse emailles teweegbrachten, gemaakt dat talloze pogingen tot navolging werden gedaan. Men is daarmede niet ver gekomen, niet in de laatste plaats door gebrek aan goud. Men heeft wel getracht het goud door koper en brons te vervangen maar dit materiaal is veel minder soepel bij het buigen van draden, die vrij dik moesten zijn terwille van de aanhechting. Dit betekende dat men uitsluitend zeer grove cloisons kon verwaardigen, die wel bruikbaar waren voor de ontwikkeling van email in een andere richting, maar zich niet leenden tot een navolging van de Byzantijnse emailles. Men is toen geleidelijk overgestapt op een andere techniek, waarbij het wel mogelijk bleek fijne cloisons in koper en brons te vervaardigen, namelijk het émail champlevé.

Het is niet duidelijk of de grove champlevé-emailles van de Kelten als uitgangspunt gediend hebben om tot een benadering van de Byzantijnse emailles te komen of dat hier sprake is van een nieuw gevonden vorm. De techniek vertoont evenwel een zo grote overeenkomst dat onder de verzamelnaam émail champlevé zowel Keltische als Rijnlandse en Limogesemailles gerangschikt worden.

Email champlevé bestaat uit een plaat rood koper of brons dat van een grotere dikte is dan het in Byzantium gebruikte goud. De gehele ondergrond werd door uitsteken verdiept, waarbij slechts de afscheiding van zeer fijne metaalstroken bleef staan. Het is meer dan bewonderenswaardig dat men een dergelijk resultaat door uitsteken wist te verkrijgen. Een enkele verkeerde beweging immers kon de smalle opstaande rand doorbreken en daarmee het stuk ruïneren.

Het emailleren gebeurde op dezelfde wijze als bij het email cloisonné. De door uitsteken gevormde cellen werden met emailpoeder gevuld, dat door verhitting tot smelten werd gebracht. Nadat dit een aantal keren gebeurd was en alle cellen tot de bovenrand vol waren met gesmolten email, werd het oppervlak gladgeslepen en op de ook in Byzantium gebruikelijke wijze gepolijst. In de meeste gevallen werden daarna de blootliggende metaaldelen verguld.

De kloosterwerkplaatsen in het Rijnland hebben in de elfde eeuw deze champlevétechniek tot grote bloei gebracht. Hoewel dus uit navolging ontstaan, hebben deze emailles een geheel eigen karakter en charme. Dit wordt mede veroorzaakt doordat de ondergrond het gebruik van doorzichtige emailles uitsloot. Deze ondergrond gaf te weinig reflectie om met de goudemailles van Byzantium te kunnen concurreren en wijselijk heeft men dan ook uitsluitend ondoorzichtige emailles gebruikt. De kleuren beperken zich tot blauw en groen, waaraan later turquoise, wit, geel en bruin werd toegevoegd. Deze beperking geeft een voorname soberheid te zien, die een grote tegenstelling vormt met de flonkerende pracht van Byzantium.

In het begin van de twaalfde eeuw ontwikkelde zich in de Maasvallei een zeer belangrijk goudsmidscentrum. Ook daar werd aanvankelijk email cloisonné vervaardigd op een gouden ondergrond. Geleidelijk werd dit echter door het email champlevé verdrongen. Er werd een geheel eigen stijl ontwikkeld, waarbij gouden of vergulde figuren geplaatst werden in geemailleerde nissen. Het geheel geeft een sterk architectonische indruk.
Gelijktijdig ontwikkelde zich ook in Limoges de techniek van het email champlevé. Er werd op vrijwel dezelfde wijze gewerkt als in het Rijngebied. De kleuren bleven aanvankelijk beperkt tot diepblauw, wit, groen en een rijk turquoise, dat kenmerkend is voor de emailles van Limoges. Later werden de kleuren geel en rood toegevoegd aan het palet. Dit rood nu heeft men in het Rijnland nooit weten te bereiken. Het is een koperemail, dat precies als het oudchinese glazuur, het sang de boeuf, in een reductieve atmosfeer tot smelten werd gebracht. Bij een oxyderende, dus zuurstofrijke atmosfeer werd dit email groen. Het koper dat in deze emailles gebruikt werd in de vorm van koperoxyde, is niet sterk aan zuurstof gebonden. Wanneer nu tijdens het verhittingsproces te weinig zuurstof door de oven werd geleid, waardoor de vorming van kooldioxyde uit de brandstof werd verhinderd, ontstond koolmonoxyde. Dit koolmonoxyde heeft een grote affiniteit voor zuurstof en neemt deze weg van die stoffen die het minst sterk aan zuurstof zijn gebonden, in dit geval van het koperoxyde. Dientengevolge veranderde het gebruikte koperoxyde tot een koperoxyde met een geringere hoeveelheid zuurstof, vermengd met het uiterst fijn verdeelde metaal koper. Beide zijn rood en dit was dus de kleurende factor in de samenstelling van het email.

In Limoges kan men spreken van een werkelijke industrie. Dit bewijst het indrukwekkende aantal stukken dat uit die vroege tijd bewaard bleef. Dit in tegenstelling tot het Rijnland, met als centrum Keulen.

Het vergulden gebeurde in Limoges op de volgende wijze: men klopte goud tot een zeer dunne plaat uit en verbrijzelde het tot poederfijne deeltjes. Dit goud werd vervolgens vermengd met kwikzilver, het ‘levende zilver’, dat men uit Spanje importeerde. Het mengsel werd gelijkmatig over het metaal verdeeld en met een zeer harde borstel ingeklopt. Door daarna het werkstuk nogmaals aan de inwerking van het vuur bloot te stellen ontweek het kwik, uiteraard zeer schadelijke dampen verspreidend. Het goud bleef op het koper achter. Bijzonder sterk was de hechting niet en van talloze stukken is de vergulding grotendeels verdwenen.
Doosje in bladvorm, email champlevé. Bruidsgeschenk aan Prins Philip van Tarent en Prinses Tamar van Epirus. Museo Civio, Cividale. Rechts: Binnenzijde en deksel van hetzelfde doosje.

In het midden van de dertiende eeuw werd de vraag naar Limogesemailles blijkbaar groter dan de produktie. Om aan de vergrote vraag te kunnen voldoen moest haastiger worden gewerkt. Er wordt dan zichtbaar minder zorg aan de werkstukken besteed: het uitsteken is sneller gebeurd en de motieven zijn dientengevolge grover. In de loop van de veertiende eeuw verdwijnen de werkplaatsen in Limoges successievelijk, om een eeuw later te herleven met de eerste stukken in een nieuwe techniek: het émail peint.




Email brun In dezelfde tijd dat in het Rijnland het email champlevé opkwam ontwikkelde zich daar tevens een bijzonder simpele, maar zeer fraaie techniek, die bekend staat onder de naam ‘email brun’. Met echt email heeft dit niets te maken, hoewel de naam die indruk wel geeft.

Bij de vervaardiging van email brun bedekte men een rood koperen of bronzen plaat met een laag lijnolie, die men liet indrogen. Deze lijnolielaag werd vervolgens ingebrand, waarna een egaal, donkerbruin glanzend oppervlak ontstond. Dit oppervlak liet zich heel gemakkelijk graveren. Wenste men een lichtgekleurde laag, dan werd een dunne laag lijnolie aangebracht, waarmee men volstond. Wilde men echter een donkerder kleur bereiken, dan werden meerdere lagen lijnolie aangebracht en na elkaar ingebrand.

Tengevolge van het graveren ligt het email brun iets hoger dan het metaal, in tegenstelling tot de echte emailles, die een gelijkgeslepen oppervlak vertonen.
De gegraveerde delen en de niet met lijnolie bedekte randen werden verguld, waardoor het fraaie kleurcontrast goudkastanjebruin werd verkregen.

Email brun is bijzonder goed houdbaar, zodat vele stukken zijn bewaard gebleven.

Email de plique In de dertiende en veertiende eeuw was Parijs een belangrijk centrum van edelsmeedkunst. Daar ontwikkelde zich toen een geheel nieuwe vorm van emailtechniek, het email de plique, ook email à jour of vensteremail genoemd. Dit heeft email cloisonné als basis, met dien verstande dat de onderlaag van metaal ontbreekt.

Bij email de plique zijn de platte, gebogen metalen draden aan elkaar gesoldeerd, zodat een soort rasterwerk ontstaat. De draden zijn veel dikker en ook breder dan die welke voor het email cloisonné werden gebruikt. Onder het raster werd een tijdelijke bodem van metaalfolie aangebracht. Deze folie moest zeer dun zijn uitgeklopt. Door vervolgens de folie op een onderlaag van een plastische massa, zoals was of klei, te leggen en daarop het raster flink aan te drukken, kwam de metaalfolie iets bol in de openingen te staan. Daardoor werd het ineenvloeien van de emailles voorkomen. Na verwijdering van de plastische massa werd de folie op enkele plaatsen vastgesoldeerd. De openingen werden vervolgens gevuld met glaspoeder waarvan met een kleine hoeveelheid water en lijm een samenhangende massa was gemaakt. Hiermee werden de cloisons gevuld en daarna werd het email tot smelten gebracht.

Gebruikte men emailles met een afwijkend smeltpunt, dan werden deze aangebracht en tot smelten gebracht in volgorde van de kleuren email met het hoogste smeltpunt tot de kleuren met het laagste smeltpunt. Wanneer alle openingen met uitgesmolten email waren gevuld, werd het gehele stuk met bijenwas bedekt en werd de metaalfolie weggebeitst (in een zuurbad opgelost). Daarna werd het gehele stuk aan beide zijden vlakgeslepen en gepolijst. Dit laatste was geen kleinigheid, want een enkele onbeheerste beweging kon het stuk ruïneren.

Het aldus verkregen stuk had het effect van een miniatuur glasinloodraam en de techniek stond ongetwijfeld in verband met de grote bloei van de glazenierskunst in die tijd. De Nederlandse benaming ‘vensteremail’ spreekt voor zichzelf. Weinig stukken uit die tijd zijn bewaard gebleven, hetgeen hoofdzakelijk te wijten is aan de grote kwetsbaarheid van deze emailles.

De belangrijkste plique à jour-emailleur is ongetwijfeld Thesmar geweest, die aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw te Parijs werkte. Zijn kommen en schalen zijn meestal versierd met bloemmotieven en ranken. De opengewerkte delen zijn met email in relief opgevuld en getuigen van een vakmanschap, zo groot, dat de ervaren emailleur van thans nauwelijks begrijpen kan hoe iets dergelijks te bereiken valt. In verschillende musea in Europa en Amerika is werk van Thesmar te vinden.



Email en ronde bosse In de vijftiende eeuw komt het email en ronde bosse op. Voordien was de kunst van het emailleren steeds de kunst van het platte vlak geweest. Ruimtelijke vormen emailleren deed of kon men niet, dit is ook begrijpelijk. Het tot poeder gemalen glas dat voor het emailleren werd gebruikt moest met water tot een bepaalde dikte worden aangemaakt en op de onderlaag worden gelegd. Van opstaande kanten gleed deze substantie weg.

Het ging er dus om een middel te vinden dat het wegglijden verhinderde. Natuurlijk lijkt de eenvoudigste oplossing van dit probleem het gebruik van lijm. Deze lijm moet echter op het metaal worden aangebracht en onder de emaillaag, anders is hechting tussen beide niet mogelijk. Dit nu was een minder eenvoudige zaak, want welke lijm was daarvoor geschikt? Het moest een lijmsoort zijn die wegbrandde zonder reststoffen in het email achter te laten. Dit moest gebeuren bij een temperatuur waarbij het emailpoeder nog als fijne korrels naast elkaar lag en de verbrandingsprodukten van de lijm nog konden ontwijken, maar niet zo vroeg dat de binding tussen de korrels weer werd verbroken. Zo men ziet, voorwaar geen klein probleem! Uiteindelijk heeft men dit probleem weten op te lossen en het betreffende middel gevonden. Aanvankelijk emailleerde men kleine, later ook zeer grote stukken. Het ‘Gouden paard’ van Altötting in Beieren is het meest befaamde voorbeeld van email en ronde bosse.

Waaruit de lijm die als bindmiddel werd gebruikt heeft bestaan is niet met zekerheid bekend. Wel bekend is dat men in Limoges voor het lijmen van goud en zilverfolie over een geëmailleerde onderlaag het sap van kwetsenpitten gebruikte. In de huidige tijd gebruikt men tragacanthgom, dat aan alle bovengenoemde eisen voldoet, maar in vroeger tijden waarschijnlijk niet in Europa bekend zal zijn geweest, daar het afkomstig is uit het Nabije Oosten.



Email de basse taille et sur relief Onder deze wijdlopige benaming verstaat men een geciseleerde, verguld zilveren of gouden ondergrond, die met email is bedekt. Door het verschil in diepte van de ondergrond werd een verschil in dikte van het email verkregen waardoor kleurnuances ontstonden, die van licht naar donker overgingen. Waar het goud direct onder een dunne emaillaag lag werd de kleur licht, waar het goud dieper lag verkreeg men een donkerder tint.

Men vindt deze techniek in de veertiende eeuw in de Nederlanden, in Parijs en in de Rijnstreek. Daarna slaat deze over naar Italië, waar men er tot diep in de zestiende eeuw gebruik van maakte.

Filigrainemail Gedurende de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw beleeft men in Hongarije een bloeiperiode van het filigrain-email. De techniek daarvan gelijkt veel op die van het email cloisonné, met dit verschil dat de afscheidingen niet werden gevormd door geplet metalen draad, maar door metalen koordjes, die op de ondergrond werden gesoldeerd. Daarbij werd de ruimte tussen deze koordjes niet geheel gevuld, zoals bij het email cloisonné het geval is, maar men bedekte alleen de bodem met een dunne laag email. Het korrelig effect van de koordjes bleef daardoor behouden. Het resultaat gelijkt bij lange na niet op dat van email cloisonné. Dit laatste heeft een glad oppervlak, tengevolge van het afslijpen en polijsten, terwijl bij het filigrainemail de koordjes bovenop de ondergrond liggen, waardoor een schaduwwerking wordt verkregen.

Deze filigraintechniek vindt zijn oorsprong in de oudheid. Het spoor is niet gemakkelijk terug te vinden. Het leidt vrijwel met zekerheid naar Zuid-Rusland. Het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden is in het bezit van een der belangrijkste stukken emailleerwerk van deze soort. Dit bestaat uit een kleine gouden flacon, die bedekt is met een netwerk van filigraindraad. Op elk snijpunt van de voluutmotieven is een gouden bolletje aangebracht. Tussen de draadmotieven ligt een donkerblauw email. Het flaconnetje, dat slechts 5,5 cm hoog is, verkeert in een uitzonderlijk goede staat. Het behoort tot een grafvondst van Romeinse oorsprong, die in Heerlen werd gedaan. Deze vondst kon blijkens de andere aanwezige stukken gedateerd worden als afkomstig uit het einde van de tweede eeuw na Chr. Filigrainemail werd in het Romeinse rijk niet vervaardigd en er is geen enkel verband met de aldaar bekende technieken te leggen.

Bij de schatten van de Krim komen een paar van dergelijke gouden flaconnetjes voor. Deze dateren naar wordt aangenomen uit de laatste eeuw voor Chr. Het is evenwel niet onmogelijk dat ten tijde van de bijzetting het flaconnetje reeds oud was, en van gelijke afkomst is. De Krimflesjes zijn niet zoals het exemplaar uit Heerlen geheel }net filigrain overdekt, maar vertonen slechts hier en daar bladvormige motieven. Deze zijn van hetzelfde type als op de hals van het flaconnetje uit Heerlen worden aangetroffen.

Het is overduidelijk dat de bloeiende Zuidrussische goudsmeedkunst een grote invloed heeft uitgeoefend op de ontwikkeling daarvan in Byzantium. Veel is daarover niet bekend. De bloeitijd van Byzantium lag ruim duizend jaar later. Goud is evenwel zo weinig aan de invloed van tijd onderhevig dat het als zeker kan worden aangenomen dat produkten van de Zuidrussische goudsmeedkunst in het weelderige Byzantijnse Rijk zijn terechtgekomen.

Email peint Aan het einde van de vijftiende eeuw ontwikkelde men in Limoges het email peint. Dit betekent letterlijk dat men een schildering vervaardigde op een ondergrond van metaal. Technisch was dit een vooruitgang. Het betekende immers dat men niet langer een metalen omvatting nodig had om het email blijvend aan het metaal te doen hechten. Men was er dus in geslaagd email samen te stellen dat tijdens de afkoeling een gelijk krimppercentage vertoonde als het metaal. Daarmede was de mogelijkheid geopend het email op een veel vrijere manier te gebruiken dan voordien het geval was. De tijdrovende voorbewerking van het metaal kwam grotendeels te vervallen en alle aandacht kwam te liggen op het emailleren zelf. Het emailleren was niet langer uitsluitend het werk van een edelsmid, maar werd een samenwerking met de kunstschilder.

Als ondergrond voor het email peint werd vrij dik koperplaat gebruikt, maar dunner dan men voor het email champlevé gebruikte. Dit koperplaat werd iets gebold en daardoor op spanning gebracht. Vervolgens werd de voorstelling in het ‘ongepolijste metaal gekrast. Na het ontvetten van het metaal werd evenmin gepolijst.

Over deze tekening werd een kleurloos, doorzichtig email aangebracht, waardoorheen de tekening zichtbaar bleef. De lijnen van de tekening werden daarna met een donkerbruine of diepviolette emailverf nagetrokken, op dezelfde wijze als waarop men bij de vervaardiging van majolica de ‘trek’ vormde. Deze lijnen hadden de functie van kleurafscheiding, zoals ook de cloisons dat hadden en de opstaande randen van het email champlevé. Echte metaalstroken voorkwamen evenwel kleurmenging, wanneer de emailles niet hetzelfde smeltpunt hadden. Dit konden de contourlijnen uiteraard niet doen.

Derhalve moest bij het email peint eerst de kleur met het hoogste smeltpunt worden verhit. Daarna bracht men de kleur email aan met het op een na hoogste smeltpunt en bracht dit tot smelten, en zo vervolgens tot de kleur met het laagste smeltpunt. Geen enkele der eerst aangebrachte kleuren kwam op deze wijze bij een volgende verhitting tot de temperatuur waarbij totale uitvloeiing zou kunnen optreden. Het betekende echter wel dat een enkel stuk soms tien tot vijftien maal het vuur moest doorstaan, met alle risico’s van dien. De achterzijde van dit email peint is in het algemeen bedekt met een dikke laag contraemail. Dit was hard nodig, want indien men het metaal niet zou hebben afgedekt zou het tijdens elke verhitting aan oxydatie onderhevig zijn, welke oxydatielaag bij elke afkoeling zou loslaten. Het metaal zou daardoor steeds dunner worden en dientengevolge steeds meer aan spanning onderhevig zijn. Contraemail heft deze spanning op.

Een beroemd portretschilder op email was Leonard Limosin, die leefde van 1505 tot 1574. De namen van vele kunstenaars uit die tijd zijn bekend, omdat men de gewoonte aannam de werkstukken te signeren. Geen van hen heeft evenwel het niveau van Limosin kunnen evenaren. De compositie is fraai en evenwichtig en de kleuren zijn briljant.

Grisaille Vanuit het email peint ontwikkelde zich te Limoges een andere richting met een iets andere techniek, namelijk die van het grisaille. Daarbij werd de ondergrond geheel met een donkerbruin tot zwart fond bedekt. Na het inbranden daarvan werd het gehele oppervlak bedekt met wit email, dat in vochtige toestand werd aangebracht en vermengd was met wat lijm. Deze laag liet men drogen en men tekende daarin de motieven. De omtrek van de motieven en de achtergrond werden weer vrijgemaakt van emailpoeder, zodat de motieven als witte silhouetten op een donkere grond kwamen te staan. Vervolgens werd deze laag gedeeltelijk ingebrand, waardoor de motieven als gevolg van het doorschijnen van de donkere ondergrond, in grijze kleur op een donker fond kwamen te staan. Door nu steeds weer een dunne laag wit email over de grijze laag aan te brengen, maar deze niet geheel te bedekken, kon men alle tinten tussen grijs en wit te voorschijn brengen en verkreeg men een kunstmatige licht en schaduwwerking, die bijzonder plastisch van uitdrukking is. Hoe dikker de laag, des te witter het email. Dit gaat soms zo ver, dat het email reliëfachtig aandoet en aan een camée herinnert. Het is duidelijk dat deze techniek veel heeft bijgedragen tot de mogelijkheden van portretschilderen op email. Het Rijksmuseum te Amsterdam bezit een fraaie collectie grisailleschilderingen.

Na de zestiende eeuw ontwikkelde zich in Frankrijk de kunst van miniatuurschildering op email. Men gebruikte hiertoe een lichtgekleurde, meestal witte ondergrond. In tegenstelling met de Limogesemailles werd de schaduwwerking teweeggebracht met donkere tinten. Daar dit een gebruikelijke wijze van schilderen was leverde het weinig moeilijkheden op en vele kunstenaars waren dan ook niet uitsluitend emailleurs, maar tevens kunstschilders en etsers.

Het is zonder meer duidelijk dat de opkomst van de porseleinschildering, zoals men die te Meissen beoefende, niet heeft nagelaten een grote invloed uit te oefenen op de emailschildering en niet zelden ziet men bij ingelijste stukken uit de achttiende en negentiende eeuw niet of het grondmateriaal porselein of metaal is. Belangrijke centra van deze miniatuurkunst waren Parijs en Genève.

Niëllo Vele eeuwen lang en tot in de huidige tijd toe heeft men de niëllo-techniek toegepast, die zeer verwant is aan de emailleerkunst. Deze vanuit het Nabije Oosten naar Europa overgebrachte techniek is in wezen een champlevétechniek. Dit houdt dus in dat door middel van graveren of kloppen ver diepte gedeelten in het metaal zijn aangebracht. Dit metaal bestaat thans uitsluitend uit zilver, in de Romeinse tijd echter ook uit ijzer.

Het gebruik van niëllo ziet men nu vrijwel uitsluitend bij de Aziatische volkeren. Bij de exportprodukten uit dit werelddeel ontmoet men niet zelden zilveren sieraden, overdekt met een zwart email, waarin zilveren motieven liggen. Dit zwarte email is evenwel geen echt email, maar niëllo. De toepassing daarvan gaat tot diep in de historie terug. Er zijn ons verscheidene recepten uit overlevering bekend. Deze recepten vormen stellig slechts een zeer klein deel van het aantal samenstellingen dat in de loop der eeuwen werd ontwikkeld. Evenals het email brun is niëllo geen email. Het bestaat uit een legering van fijn zilver, lood en koper, waaraan zwavel wordt toegevoegd. In tegenstelling tot echt email is het zeer elastisch. Het kan dus tegelijk met de onderlaag bewerkt worden. De toevoeging van zwavel aan de metaallegering heeft een tweeledig doel: er vormt zich zilversulfaat, dat een diepzwarte kleur heeft, en het geeft de mogelijkheid het metaal als email te verwerken.

Het oudste ons bekende recept is dat van Plinius, die leefde van 23-79 jaar na Chr. Dit is loodvrij, in tegenstelling tot latere recepten. De verhouding luidt:

Plinius schrijft daarover het volgende: “Men smelt zilver met een derde deel goed Cyprisch koper in een aarden smeltkroes met een deksel, die met klei is dichtgesmeerd, zolang tot het deksel gaat rijzen. Het zilver kan ook met eigeel worden zwartgemaakt, maar deze kleuring laat zich door een behandeling met krijt en azijn weer verwijderen.”

Theophilus, een monnik die leefde omstreeks 1100 na Chr. geeft het volgende recept:

Theophilus schrijft daarover:
“Neem zuiver zilver en deel dit in gelijke helften, waar men een derde deel koper bijvoegt. Wanneer men deze drie delen (een deel zilver, een deel zilver en een derde deel koper) (elk) in een smeltkroes gedaan heeft, weegt men zoveel lood af als de helft van het koper dat met het zilver werd vermengd. Breek zwavel in kleine stukjes, doe lood en zwavel in een koperen pan, de rest (?) van de zwavel in een smeltkroes. Wanneer men het zilver met het koper vloeibaar gemaakt heeft roert men het gelijkmatig met een (stuk) koolstof en giet daar het (vloeibaar gemaakte) lood en zwavel bij, roert het opnieuw grondig met koolstof en giet het in de andere smeltkroes over bij de zwavel die men daarin gedaan heeft. Neem direct de kroes waaruit men gegoten heeft weg, en zet de andere op het vuur tot het smelten begint, roer nogmaals en giet het in een ijzeren gietvorm.
Voordat het is afgekoeld klopt men het een weinig, verwarmt men het een beetje en klopt opnieuw tot het dun is. Want het is de eigenschap van niëllo, dat het, koud gehamerd, direct breekt en (weg) springt, bovendien mag het niet zodanig worden verhit dat het roodgloeiend wordt, daar het direct smelt en in het vuur loopt.
Het dungemaakte (geplette) niëllo brengt men over in een diepe pot, giet er water op en verbrokkelt het zo klein mogelijk met een ronde hamer, droogt het nadat men het uit de pot heeft genomen, brengt de fijne delen over in een ganzepen, die men sluit; wat grover is brengt men in de pot terug, maakt het fijner en sluit het na droging in een tweede ganzepen.”


Deze, reeds zeer vereenvoudigde, uit het Latijn vertaalde tekst laat een nogal omslachtige handelwijze zien die wel ver afwijkt van de bereidingswijze van Plinius, zoals die werd samengevat in een enkele zin.

Hedendaags emailleren